Gipsplaten tips

Gipsplaten zijn een geliefd materiaal van doe-het-zelvers. Je hoeft niet echt een handige Harry te zijn om een ruimte in twee te delen, een zolder af te werken of een voorzetwand te plaatsen met behulp van gipsplaten. Probleem met handige Harry's is echter dat ze vaak overmoedig zijn en de richtlijnen van de fabrikant naast zich neer leggen. Voor de plaatsing van gipsplaten is dat niet anders. Er worden veel te veel fouten gemaakt die gemakkelijk vermeden hadden kunnen worden. Welke de meest gemaakte fouten zijn bij de plaatsing van gipsplaten.

Fout 1: opvoegen bij slechte weersomstandigheden. Begin pas met het opvoegen en afwerken van de gipsplaten als de temperatuur en de vochtigheid van het lokaal in de buurt liggen van deze die in de toekomst in het gebouw van toepassing zullen zijn. Met andere woorden, het is geen goed idee om gipsplaten af te werken als de woning nog niet wind- en regendicht is of onder koude of vochtige omstandigheden. Dit kan leiden tot barstjes ter hoogte van de voegen.

Fout 2: onvoldoende stabiele ondergrond. Om een barstvrij oppervlak te verkrijgen, moeten gipsplaten toegepast worden op een stabiele ondergrond. In het geval van gipsplaten onder een dakconstructie is het daarom aan te raden om een metalen of houten regelwerk aan te brengen om eventuele zettingen en spanningen van de dakconstructie op te vangen.

Fout 3: verkeerde afwerking aan aansluiting met andere materialen. Je dient steeds te vermijden dat een wand of
plafond uit gipsplaten 'ingeklemd' wordt tussen de andere bouwkundige vlakken van het gebouw. Hierdoor kan het risico van barstvorming (bv. door veranderingen van vochtigheid en temperatuur) gevoelig verminderd worden. Daar waar een gipsplaat een ander bouwonderdeel raakt (bv. een bepleisterde muur of plafond), moet men het plafond vrijmaken. Concreet kan men dit verwezenlijken door het voorzien van een brede en decoratieve voeg (de zogenaamde schaduwvoeg), het vrijsnijden van het voegproduct met behulp van een soepel mes of het voorzien van een scheidingsband die voorafgaandelijk tegen het bouwonderdeel gekleefd wordt (na de voegwerken wordt het deel van de band dat uitsteekt eenvoudig weggesneden).

Fout 4: afwerken zonder primer. Er is een onderscheid in het zuigend vermogen van het voegproduct en van het karton van de gipsplaten. Een gouden regel voor de schilder is dat, in het geval van een ondergrond bestaande uit verschillende materialen, het oppervlak eerst behandeld moet worden met een primer of een grondlaag om eventuele tintverschillen in de later aan te brengen verflaag te vermijden. Deze regel geldt dus evenzeer voor gipsplaten. Een primer is ook nodig als je een behangpapier gaat aanbrengen op de gipsplaat. Hierdoor kan je vermijden dat het karton van de gipsplaat loskomt als je na enkele jaren je behangpapier wenst te vervangen.

Fout 5: te dunne gipsplaat. Dunne gipsplaten zijn gevoeliger voor doorbuigingen en vervormingen dan dikkere gipsplaten. Het is aan te raden om een plaat van minstens 12,5 mm dik te gebruiken op een draagstructuur uit hout of metaal.

Fout 6: oncorrect opvoegen van de randen. Om een vlakke wand of plafond te verkrijgen moeten de voegen correct
opgevoegd worden. Het aanbrengen van het voegproduct gebeurt doorgaans in meerdere arbeidsgangen. Hierbij moet de minimale uithardingstijd van de onderliggende lagen steeds gerespecteerd worden. Perfecte gladde en vlakke oppervlakken worden verwezenlijkt door het gehele plafond of wand van een dunne en gepaste afwerklaag te voorzien. Volg steeds de richtlijnen van de fabrikant.